Bloemlezing uit Rijmtijd

Rt.nr.63  Jan Verdonck, "Het schrijverke"

Het schrijverke” (VD D10 p.43, 1857?) behoort tot de meer bekende, vroege gedichten van Gezelle en heeft altijd veel aandacht gekregen. Het viel bij velen in de smaak, werd algauw in bloemlezingen opgenomen en verscheen ook meerdere keren in vertaling. De tekst werd zevenmaal getoonzet, ondermeer door de West-Vlaamse pastoor-musicus A. Mervillie, een epigoon van Gezelle. Sedert 1960 geraakte “Het schrijverke” nog beter bekend doordat Will Ferdi er muziek bij schreef en het ook zong voor een ruimer publiek. Vijftig jaar later maakte Marieke Joris  een mooi filmpje over het schrijverke en bracht het op het internet (www.devrijecultureleruimte.nl). Het succes is wellicht ook gedeeltelijk toe te schrijven aan de heel vriendelijke toon waarmee de dichter het nu zeldzaam geworden diertje aanspreekt. De lezers worden geboeid door de rake en gedetailleerde beschrijving van dat kevertje.

Gezelle schiep het gedicht vanuit zijn bewondering voor het kleine watertorretje dat hij, naar H. Verriest beweerde, wellicht in de vijver van de seminarietuin had gadegeslagen. De Latijnse naam Gyrinus natans onder de titel duidt aan dat de dichter er wetenschappelijke informatie over had ingewonnen, wat volgens Frank Baur  (Jubileumuitgave van Gezelle’s Volledige werken, dl.1, 1930, p.281 ) niet zo verwonderlijk is, aangzien hij toen belast was met  lessen Nederlands aan jongere leerlingen. De didactische grondtoon van het stuk past bovendien volkomen bij de toenmalige opvattingen over de rol van de schoollectuur.

Maar er is meer te zeggen over “Het schrijverke”.

Laten we even de tekst van dichterbij bekijken. Al op het eerste gezicht is het duidelijk dat de keuze van het onderwerp volkomen in de lijn ligt van Gezelles levenslange gewoonte om natuurwezens, grote zowel als kleine, te observeren en en ze als levende personen in een gedicht te beschrijven. Niet zelden ook gaat hij met zijn onderwerpen een dialoog aan. Hij situeeert ze feilloos in hun  eigen natuurlijk milieu en wijst daarbij graag op hun bestaansreden, wat er op neerkomt dat ze leven en handelen in overeenstemming met de wil van hun Schepper.

Het gedicht ligt overigens helemaal in de lijn van Gezelles grote  belangstelling voor de kleinste wezentjes in de natuur, zowel diertjes als plantjes. Bekend zijn bijvoorbeeld nog “De kobbe”, “De slekke”,

De puid”, “Niemandsvriend”(distel), “’t Groeit” (o.m. kleine mosjes), “Sempervivumtectorum”(huislook), enz.

Het schrijverke, dat kleine, bijna onooglijk diertje, wordt in zo’n perspectief gezet. Het is zijn bestemming om op een eigen wijze de Schepper te loven door zijn naam te schrijven op het water, zoals expliciet geformuleerd staat in de laatste acht regels van het  gedicht dat we hieronder in zijn geheel citeren:

                                                     Gyrinus natator of draaikever,  draaitor,  schrijvertje, 
                                                     fam. van de gyrinidae, 5 à 7mm. lang,  tweeledige
                                                     ogen om zowel onder als boven de waterspiegel te     
                                                     kijken, middelste en achterste poten roeispaanachtig

                                              

                            Het schrijverke (Gyrinus natans)

                           O krinklende winklende° waterding,   scherpe bochten makend 
                                  met het zwarte kabotseken aan,       
                           wat zien ik toch geren uw kopke flink
                                  al schrijven op ’t waterke gaan!
                     5    Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
                                  al zie ‘k u noch arrem noch been;
                           gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,                                   
                                  al zie ‘k u geen ooge, geen één.
                          Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
                  10            Verklaar het en zeg het mij, toe!
                          Wat zijt gij toch, blinkende knopke° fijn,      rond lichaampje
                                 dat nimmer van schrijven zijt moe?
                          Gij loopt ovet ’t spegelend water klaar,
                                 en ’t water niet méér en verroert
                 15     dan of het een gladdige windtje waar,
                                 dat stille over ’t waterke voert.
                          o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,
                                 met twintigen zijt gij en méér,
                          en is er geen een die ’t mij zeggen kan: -
                 20            Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer°?         snel
                          Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,
                                 gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;
                          geen Christen° en weet wat dat bediedt:                 niemand
                                 och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
                 25     Zijn ’t visselkes° daar ge van schrijven moet?         visjes
                                 Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?
                          Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
                                 of ’t water waarop dat ge drijft?
                          Zijn ’t vogelkes, kwietlende° klachtgepiep°,       stilletjes zingend,
                 30            of is ‘et het blauwe gewelf,                                  klaaglijk gepiep
                          dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
                                 of is het u, schrijverken, zelf?
                          En ’t krinklende winklende waterding,
                                met ’t zwarte kapoteken aan,
                 35     het stelde° en het rechtte zijne oorkes flink,         rechtop zetten
                                en ‘t bleef daar een stondeke staan: 
                         ‘Wij schrijven,’ zoo sprak het, ‘al krinklen af°           van
                                het gene onze Meester, weleer,
                          ons makend en leerend, te schrijven gaf,
                 40           één lesse, niet min nochte meer;
                          wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
                                niet lezen, en zijt gij zoo bot°?                             stompzinnig       
                          Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
                               den heiligen Name van God!’   

We gaan nu even naast de dichter staan om te zien hoe hij het watertorretje benadert. Hij houdt met het beweeglijke diertje een over het hele gedicht volgehouden dialoog. Deze werkwijze komt ook in tal van zijn andere gedichten voor.
De ‘O’ waarmee het vers begint is een in 19de-eeuwse poëzie veel gebruikt stilistisch middel. Soms noemt men de dichters die het gebruiken schertsend ‘o-dichters’.
Terwijl hij zich tot het schrijverke richt, typeert Gezelle het diertje met treffende details. Het eerste wat  opvalt is de benaming waterding, die hij koos voor de klankassociatie met krinklen en winklen, het bochten en hoeken makend bewegen van het kevertje op het water. (De uitdrukking krinkelen en winkelen  werd nog in het oude West-Vlaams gebruikt en er was ook  een bijwoord krinkeldewinkel ; zie De Bo’s Westvlaamsch idioticon, p.577). Meteen laat de dichter zijn bijzondere sympathie voor het beestje blijken:

                        wat zien ik toch geren uw kopke flink
                              al schrijven op ’t waterke gaan! (v.3-4)

Elders in Gezelles werk vinden we nog andere dergelijke uitingen van sympathie voor wezens die hij beschrijft, bijv. in “De bleekersgast”: ‘ ’t ververscht mij (‘t doet me deugd), in ’t geweld gestaan der hooge zonnekrachten…’ (VD.R72, p.854); in “Perels”: ‘hoe geren zie’k uw sprieten, o perestruik…’ (VD.7A55, p.1541); in “Op De Bo’s smoorkamer”: ‘Hoe geren kom ik ’s avonds hier/ mijn oude pijpe ontsteken…’ (VD8 C22 ) enz…

Een andere uiting van sympathie voor het beestje zit in het gebruik van talrijke verkleinwoorden, verspreid over het hele gedicht, te beginnen met het schrijverke zelf (5x) en verder: kabotseken, kopke, ’t waterke, knopke,  windtje,  visselkes, kruidekes, keikes, bladtjes,  blomkes, vogelkes, kapoteken, oorkes, stondeke. Alles bijeen zijn er een twintigtal verkleinwoorden. De bewondering en de vertedering van de dichter stralen er van af.
Treffend in dit gedicht is ook weer Gezelles gebruik van de personificatie: het schrijverke wordt als een menselijk wezen voorgesteld, het spreekt tegen de dichter, schrijft, draagt een menselijk kabotseken (een schedelkapje) en een kapoteken (kapootjasje zoals priesters er een droegen boven hun soutane)… Het vermoeden kan hier rijzen dat de dichter door zijn vriendelijke toenadering tot het diertje zich ermee wil vereenzelvigen vanuit de overtuiging dat ze allebei als medeschepsels een gelijkaardige, maar essentiële levenstaak hebben, namelijk hun Schepper te loven.

In de eerste acht regels vertelt Gezelle uitvoerig hoe hij het schrijverke met al zijn bewegingen observeert: ‘Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel’ (r.5) Terloops: bemerk de gradatie in de opgesomde activiteiten van het schrijverke, van leven naar roeren tot lopen. Uit die inleidende beschrijving komt onmiddellijk al de bewondering van de dichter naar voren. Dan begint hij in r.9 enkele vragen te stellen. De eerste vraag klinkt erg filosofisch: ‘Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?’. Het betreft de essentie of het wezen van het diertje, net alsof het een met verstand begaafde mens was. De vraag gaat evenzeer over zijn verleden als over zijn heden en en zijn toekomst.

In r.17 richt de vragende dichter zich ineens tot een meervoud van schrijverkes: ‘met twintigen zijt gij en meer’, maar dit keer komt er een meer specifieke vraag: hij wil te weten komen wat precies die schrijverkes zo snel aan het schrijven zijn: ‘Wat schrijft, en wat schrijft gij zoo zeer?’ (r.20).
Het antwoord volgt evenwel niet meteen en daarom weidt de dichter verder uit in vragen over de aard van dat schrijven op het water: ze schrijven wel, maar ‘ ’t en staat in het water niet’ (r.21). Dit is, zo beweert hij, voor iedereen onbegrijpelijk.

Omdat schrijverkes antwoord op de kernvraag toch niet zo onmiddellijk volgt, suggereert Gezelle dan maar zelf zeven mogelijke antwoorden. Hij noemt daarbij als mogelijke onderwerpen van het schrijven allerlei levende en levenloze wezens die, blijkens de inhoud van veel andere gedichten, behoren tot zijn eigen belangstellingsveld: visjes, kruidjes, keitjes, blaadjes en bloempjes, water, vogeltjes, het blauwe hemelgewelf.

Met het laatste vraagje wil hij, merkwaardig genoeg, ook weten of het schrijverke misschien over zichzelf schrijft: ‘of is het u, schrijverken, zelf?’ (r.32) We komen hieronder nog op die vraag terug.

En wanneer het schrijverke zich uiteindelijk klaar maakt om toch een antwoord te geven aan de dichter, m.a.w. om zijn bestaansreden te laten kennen, is er een plechtig moment aangebroken en gaat het gedicht naar zijn climax:

                        En ’t krinklende winklende waterding,
                            met ’t zwarte kapoteken aan,
                        het stelde en het rechtte zijn oorkes flink,
                            en ’t bleef daar een stondeke staan:    (vs.33-36)

Bewust van het belang van wat het te zeggen heeft, neemt het een bijzondere houding aan. Schrijverkes antwoord klinkt fier en zelfverzekerd. Nu maken de vele vragen plaats voor een zeer affirmatieve uiting in de laatste acht verzen van het 44-regelige gedicht. Ze omschrijft de opdracht, de ‘lesse’, die de Meester aan de schrijverkes heeft gegeven. Merk op dat hier weer een oversprong gemaakt wordt van het enkelvoudige ‘schrijverke’ naar meerdere  ‘schrijverkes’.

Tot hier hebben we geprobeerd een overzicht te geven van de zakelijke inhoud, de realia van het gedicht.
Maar zou het niet mogelijk zijn om, bij wijze van hypothese, Gezelles schrijverke ook even anders te bekijken en na te gaan of er geen andere betekenislagen of analogieën schuilgaan onder de voor de hand liggende gegevens? In het werk van veel grote dichters liggen vaak inhouden verscholen, die pas na dieper borende lectuur naar boven gehaald kunnen worden. Het betreft betekenissen die de dichter soms bewust, maar soms ook op eerder spontane wijze en onbewust aan zijn tekst heeft meegegeven. Hier bevinden we ons op het gebied van de metaforen, waar de ene gedachte een andere oproept, het ene beeld nog andere beelden suggereert. Goethe schreef aan het einde van zijn Faust,‘Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis’, d.w.z. ‘alles in het leven is slechts iets wat gelijkenis vertoont met iets anders’. Het spreekt vanzelf dat interpretaties op dit gebied niet altijd op rationele basis gesteund kunnen zijn. Poëzie is immers geen zuiver rationele aangelegenheid.

Ook Gezelle zelf gelijkt misschien in zijn eigen doen en laten nogal goed op de ‘gyrinus natans’, het schrijverke. Het zwarte kabotseken (v.2) dat het torretje op heeft, is het schedelkapje of kruinmutsje zonder boord, ook kalotje genoemd, dat destijds door priesters werd gedragen in de alledaagse omgang. En het zwarte kapoteken, waarin hij het beestje gekleed ziet, is de kapootjas die priesters ’s winters over hun soutane droegen. Hij is zelf ook een schrijver die het als zijn voornaamste levensopdracht beschouwt om al schrijvend zijn Schepper te dienen en hem te loven. Bovendien is de drukke beweeglijkheid die hij het schrijverke aan de dag ziet leggen, een beeld van zijn eigen drukke bezigheid: ‘Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,’ (v.5). Er wordt gezegd dat men de onvermoeibare schrijver ooit eens ‘een zereloper’ noemde, cfr. ‘dat nimmer van schrijven zijt moe’ (v.12). Dit zijn metaforen.

Het water waarop het beestje al krinkelend of met hoekige rukjes loopt roept mogelijks  associaties op met het leven waarin de dichter zich beweegt en dat hij voor zichzelf zoekt te duiden. Bij Gezelle heeft het water een diepere betekenis. Met inbegrip van combinaties als waterding, komt het woord water acht keer voor in de tekst. Het schrijverke loopt snel en beweeglijk in allerlei richtingen over het water, maar laat het onaangeroerd. We lezen hoe het draaitorretje over de spiegelende effenheid en zuiverheid van het water loopt:

                               Gij loopt over ’t spegelend water klaar,
                                    en ’t water niet méér en verroert
                               dan of het een gladdige windtje waar,
                                    dat stille over ’t waterke voert.  (vs.13-16)

Het spiegelgladde water symboliseert de helderheid van de ongerepte natuur, die voor Gezelle ook iets paradijselijks heeft, d.w.z., die in hem een Adamisch gevoel wekt. Zoals het schrijverke ziet hij het leven als door de Schepper gemaakt, maar raakt het niet aan, grijpt niet in, beschadigt het niet. Hij zet er alleen Gods naam op.

Er zijn in zijn werk nog meer van die gedichten te vinden, die laten zien dat hij aan het water andere, symbolische betekenissen toekent. In ‘Ichthus eis aiei’ (VD.R74, p.855) is dit overduidelijk. In zijn boekje En de vis is teken, waar hij dit gedicht grondig analyseert en daarbij allerlei metaforen ontdekt, schrijft Frans Berkelmans: ‘Gezelles aandacht gaat van meet af aan uit naar het water, dat als oerbeeld van het on- en onderbewuste leven mag worden aangemerkt.’ (p.68) Het gaat hier om de zuiverheid, de rimpelloosheid van het water waarin het zonlicht weerspiegelt:

                             Achter ’t bloote vischputwater
                             roer noch rimpelken en gaat er:
                                     stille staat er 
                               ’t blinken in van ’t zonnebeeld. (vs.3-6)

Het spiegelende water (het leven) krijgt maar glans en betekenis doordat de zon (een referentie naar de Schepper?) erop schijnt.

In ‘De waterspegel’ (VD.D23,) noemt de dichter eveneens het gladde,  alles weerspiegelende water:

                         Ik wete ik een spegel, een spegel zoo klaar, 
                                 zoo klaar en was nimmer een spegel:  (vs.1-2)

Zoals het effen vijverwater aarde en hemel weerspiegelt, zo is het vers van de dichter niet enkel een weergave van de externe werkelijkheid van de wereld, maar ook van wat er in de ziel van de dichter beweegt. Het gedicht is meer dan hetgeen aan de oppervlakte te zien is, het is ook spiegel en drager van Gezelles diepere eigenheid.

In diverse andere gedichten heeft hij het nog over het water, bijv. in ‘G’hebt dan ook dat bitter water’ (VD GGG41, p.265) en ‘Het water is een wonder ding’ (VD 7A28, p.1515).

De hierboven geciteerde filosofische vraag van de dichter aan het schrijverke: ‘Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?’ (v.9) en ‘Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,…’ (v.11) verrast  enigszins. Het is een van de diepste en moeilijkst te beantwoorden vragen die een mens zich kan stellen, de vraag naar de essentie of wezenheid van de persoon en het individuele bestaan. De dichter ziet, enkel het bewegend schrijven van het schrijverke, maar het beestje is zo klein, dat hij de ogen en de ledematen niet ziet, ‘al zie ‘k u noch arrem noch been’ (v.6) en ‘al zie ‘k geen ooge geen een’ (v.8), wat betekent dat hij er eigenlijk niet in slaagt om in dat wezen door te dringen. Gezelle zal die vraag ook toegepast hebben op zichzelf en op zijn eigen schrijverschap. Wie was hij? Wat betekende voor hem zijn activiteit als schrijver en dichter? Welke bedoeling had hij ermee?

Een andere passage in het gedicht, die aansluit bij  de  voorlopig nog niet beantwoorde vraag aan het schrijverke over wat het schrijft,  is deze:

                    Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,
                        gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;
                    geen Christen en weet er wat dat bediedt:
                        och schrijverke, zeg het mij, zeg! (vs.21-24)

Een innerlijke twijfel aan de betekenis, de beklijvende waarde en het zinvolle van zijn eigen poëzie kan hier op de achtergrond meegespeeld hebben, voornamelijk wanneer we die twijfel zien in verband met de deugdelijkheid van zijn dichterschap en zijn religieus engagement.

Er kan ook gedacht worden aan Gezelles besef van de korte duur van het leven en de snelle teloorgang van wat de mens hier realiseert: ‘gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;’ (v.22). Er is daarmee echter een diepere zingeving verbonden: wat het schrijverke op het water schrijft, lijkt onmiddellijk weer verdwenen. Maar neen, zo is het niet: het schrijft de naam van God en die blijft onzichtbaar aanwezig.

De inleiding tot wat het schrijverke antwoordt aan de dichter (r.33-36) klinkt zo plechtig, dat we zonder twijfel  daarachter een houding van Gezelle zelf kunnen zien. De eerste twee verzen zijn op twee woorden na de herhaling van de aanhef van het gedicht: we zien er de auteur in, die bewust van het belang van zijn boodschap en de plechtigheid van het moment naar voren komt: ‘het stelde en het rechtte zijn oorkes flink, /en ’t bleef daar een stondeke staan:’ (v.35-36).

De 27-jarige dichter komt in “Het schrijverke”, bij het begin van zijn schrijverschap, zelfzeker en toch op een zeer charismatische wijze uit voor de taak die hij als dichter op zich heeft genomen: hij schrijft in ‘den heiligen Name van God’.

Noot:  Mijn oprechte dank gaat hier naar Beatrice De Graeve voor de inspirerende gedachten die ze mij spontaan mededeelde na heel  aandachtige lectuur van “Het schrijverke”. Zonder haar suggesties zou dit artikel niet zijn geworden wat het nu is.              

                                                                      Jan Verdonck